Wanneer geef je een signaal en over voorrangsvoertuigen.

Art. 28: Signalen bij gevaar.

Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.

Het geven van een signaal

  • om te waarschuwen, dat men gaat inhalen
  • als groet is niet toegestaan.
  • als waarschuwing van medeweggebruikers voor een radarcontrole

is niet toegestaan.

Art. 29: Voorrangsvoertuigen en lichten.

  1. Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.
  2. De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren. 
  3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen.

Voertuigen met zwaailicht en sirene zijn de voorrangsvoertuigen. Ze hoeven niet als zodanig herkenbaar te zijn.

Een onopvallende politieauto met zwaailicht/sirene is dus een voorrangsvoertuig. Ook indien iemand illegaal zwaailicht en sirene gebruikt, is hij (hoewel illegaal) toch een voorrangsvoertuig,

Art. 30: Gebruik van geel zwaailicht

  1. Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid, genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.
  2. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd.

Aangewezen zijn onder andere voertuigen ten behoeve van hulpverleningsdiensten, wegwerkzaamheden, takelwerkzaamheden en dat alleen tijdens hun werkzaamheden.

Artikel 30a

  1. Bestuurders van de in artikel 29, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen mogen onder nader aan te geven omstandigheden extra richtingaanwijzers voeren.
  2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de in het eerste lid bedoelde richtingaanwijzers en de omstandigheden waarin deze worden gebruikt.

Artikel 30b

De artikelen 29 tot en met 30a zijn niet van toepassing op Belgische en Duitse motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, in gebruik bij diensten voor eerstelijns spoedeisende hulpverlening alsmede motorvoertuigen van Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten, aangewezen bij of krachtens artikel 29, eerste lid, mits deze voertuigen elk de signalen voeren overeenkomstig de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels.

Artikel 30c

De motorvoertuigen die onderdeel uitmaken van een uitvaartstoet van motorvoertuigen voeren een herkenningsteken. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het herkenningsteken en de wijze waarop dit wordt gevoerd.

Art. 31: Ander gebruik van signalen

Signalen mogen niet worden gegeven en de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens mogen niet worden gevoerd in andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in deze paragraaf is bepaald.