De manier waarop het geluid van een personenauto moet worden gemeten is terug te vinden in de Regeling Permanente Eisen.

Artikel 2.3.2
  1. De in deze paragraaf gestelde eisen ten aanzien van de geluidsniveaumeting gelden alleen voor personenauto's.
  2. Deze eisen worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs.

Artikel 2.3.3

Het geluidsniveau moet worden gemeten met gebruikmaking van de in de artikelen 2.3.4 en 2.3.5 genoemde meetapparatuur, waarbij de in artikel 2.3.6 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.

Artikel 2.3.4

  1. De geluidsniveaumeter moet ten minste voldoen aan het bepaalde in Publicatie nr. 651, eerste editie 1979, Geluidsniveaumeters, van de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) voor geluidsniveaumeters met de nauwkeurigheidsklasse Type 1.
  2. De calibratiegeluidsbron moet ten minste voldoen aan het bepaalde in Publicatie nr. 942, eerste editie 1988, van de IEC voor calibratiegeluidsbronnen met de nauwkeurigheidsklasse 1.
  3. De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron moeten jaarlijks gecalibreerd en getoetst worden aan de eisen bedoeld in het eerste respectievelijk het tweede lid. Hiervan moeten verklaringen aanwezig zijn, afgegeven door NMI IJkwezen BV of door een door de minister gemachtigde instelling, waaruit blijkt dat zij aan de eisen voldoen.

Artikel 2.3.5

  1. De toerenteller moet een nauwkeurigheid hebben van ten minste 3%.
  2. Bij de toerenteller moet een verklaring aanwezig zijn ten aanzien van de nauwkeurigheid, welke niet ouder mag zijn dan twee jaar, afgegeven door NMI IJkwezen BV of door een door de minister gemachtigde instelling.

Artikel 2.3.6

  1. De meting vindt plaats in de open lucht.
  2. Het proefterrein mag niet blootstaan aan sterke akoestische storingen. Hieraan wordt voldaan indien het oppervlak van het terrein bestaat uit beton, asfalt, tegels of een vergelijkbaar hard materiaal.
  3. Het proefterrein moet minimaal de afmetingen van een rechthoek hebben, waarvan de zijden zich op ten minste 3,00 m afstand van de personenauto bevinden, zoals weergegeven in figuur 4. Binnen deze rechthoek mogen zich geen personen of voorwerpen bevinden die niet noodzakelijk zijn voor de meting. De personenauto wordt op zodanige wijze binnen de rechthoek geplaatst dat de microfoon zich op ten minste 1,00 m afstand van eventueel aanwezige trottoirbanden bevindt.
  4. De waarden die door de geluidsniveaumeter voor het omgevingsgeluid en de wind worden aangegeven, moeten ten minste 10 dB (A) beneden het geluidsniveau zijn gelegen dat in het kentekenregister wordt vermeld. Dit wordt gecontroleerd door vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting. De microfoon van de geluidsniveaumeter mag van een passende windkap worden voorzien, mits rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de gevoeligheid van de microfoon.
  5. Voor aanvang van de meting moet de motor van de personenauto op bedrijfstemperatuur worden gebracht.
  6. De meting vindt plaats bij een stilstaande personenauto.

Artikel 2.3.7

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

  1. voor de aanvang van de meting wordt de geluidsniveaumeter ingesteld op de tijdweging "F" (voorheen aangeduid met "Fast") en de frequentieweging "A" bedoeld in artikel 2.3.4, eerste lid, genoemde IEC publicatie;
  2. de motor is op bedrijfstemperatuur indien deze ongeveer vijftien minuten onder normale bedrijfsomstandigheden heeft gefunctioneerd;
  3. aan het begin en einde van iedere serie metingen moet de geluidsniveaumeter gecalibreerd worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant met behulp van een calibratiegeluidsbron, welke voldoet aan artikel 2.3.4, tweede en derde lid;
  4. de afwijking tussen het geluidsdrukniveau van de calibratiegeluidsbron en de aanwijzing van de geluidsniveaumeter mag niet groter zijn dan 1 dB(A). Indien deze waarde bij de aanvangscontrole wordt overschreden moet de geluidsniveaumeter zodanig gejusteerd worden dat wel aan deze eis wordt voldaan. Als aan het einde van de serie metingen wordt geconstateerd dat deze afwijking groter is dan 1 dB(A), is de serie metingen ongeldig;
  5. de microfoon van de geluidsniveaumeter moet in de volgende positie worden geplaatst, zoals weergegeven in figuur 5:

    1. ter hoogte van de uitlaatmonding, in ieder geval ten minste 0,20 m boven het wegdek;
    2. het membraan van de microfoon is naar de uitlaatmonding gericht en bevindt zich op een afstand van 0,50 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan);
    3. de hoofdgevoeligheidsas van de microfoon loopt evenwijdig aan het wegdek en vormt een hoek van niet minder dan 35° en niet meer dan 55° met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatgassen ligt; de microfoon is zo geplaatst dat de afstand tussen de microfoon en de personenauto het grootst is;
    4. indien het uitlaatsysteem meerdere uitmondingen heeft, die zijn aangesloten op eenzelfde geluidsdemper, waarvan de middelpunten niet meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, is de microfoon gericht op de uitmonding die zich het dichtst bij de omtrek van de personenauto of zich het hoogst boven het wegdek bevindt. Indien de middelpunten van de uitmondingen meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, wordt bij iedere uitmonding een afzonderlijke meting verricht, waarbij alleen de hoogst gemeten waarde wordt aangehouden;
  6. het toerental van de motor wordt op de waarde gebracht die in het kentekenregister voor de betreffende personenauto is vermeld;
  7. na het bereiken van de in onderdeel f vermelde waarde wordt het gaspedaal snel losgelaten. De tijdsduur van de meting van het geluidsniveau omvat de periode, waarin het toerental constant wordt gehouden, en de gehele duur van de vermindering van het toerental tot het stationaire toerental weer is bereikt;
  8. er wordt per meetpunt ten minste een serie van drie metingen verricht, waarbij:

    1. de hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt;
    2. de meetwaarde per meting op de meest nabijgelegen hele decibel wordt afgerond;
    3. alleen meetwaarden die bij drie opeenvolgende metingen worden verkregen en onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden;
    4. als meetresultaat de hoogste van deze drie meetwaarden geldt.

 

geluidmeting

 

Figuur 5 Plaatsing microfoon

Politiesites